Komt een puber bij de tandarts

Ik ga niet, er is niets met mijn tanden. Die tandarts gaat dan weer zo’n flos-verhaal vertellen en proberen om jou een beugel aan te smeren voor mij en daar trap jij dan weer in en dan zit ik straks twee jaar met een helm op m’n hoofd omdat jij nooit nee kan zeggen.’

Oudste dochter (12) is een jaar niet op controle geweest en lijkt allerminst van plan daar verandering in aan te brengen. ‘Doe eens ff rustig’, probeer ik haar gerust te stellen, ‘die nieuwe tandarts is een hele aardige man en hij gaat alleen even in je mond kijken. Als jij inderdaad zo’n perfect gebit hebt, dan is er toch helemaal geen probleem?’ Dochter zit met een hoofd op oorlog op de bank. ‘Je gaat maar lekker zelf, met je aardige tandarts. Ik vertrouw ze niet.’

Je gaat toch niet zo achterlijk zitten doen he?

Een half uur later zit ze mopperend naast me in de auto. ‘Ben je soms een beetje bang?’ vraag ik. Vernietigende blik. ‘Kan toch? Sommige mensen doen heel boos als ze iets eng vinden omdat ze zich dan rottig voelen maar niet direct doorhebben dat het komt omdat ze iets spannend vinden in plaats van stom.’ Dochter kijkt me aan. ‘Zei je nou serieus “spannend”? Djiezus. Ik ben geen peuter. Die het “een beetje spannend” vindt om naar school te gaan. Je gaat zometeen niet ook zo achterlijk zitten doen tegen die tandarts he? Ja want ik ken jou, dan ga je tegen de tandarts zeggen: "ze vindt het een beetje spannend tandarts.” En dan gaat die man ik-ben-heel-leuk-met-kinderen-grappen maken. Zweer je dat je niets zegt?

‘Beloofd. Doe jij dan nu weer even lief tegen de allerleukste moeder van de wereld?’ Diepe zucht en rollende ogen vanaf de passagiersstoel.

Dus jij zit al in de brugklas?

In de tandartsstoel loopt alles heel soepel. Behalve het gesprek tussen dochter en tandarts.

‘Dus jij zit al op de middelbare school?’

‘Ja’

‘Zit je in de brugklas?’

‘Ja’

‘En heb je het naar je zin?’

‘Hmm’

‘Spannend hoor, en dan heb je nu zeker allemaal nieuwe vriendinnen?’

‘Nee’

‘Oh. Eh …zit je op een sport?’

‘Ja’

‘Zo! Nou leuk hoor, ik dacht al ‘dat lijkt me een sportieve griet! Welke sport doe je?’

‘Hockey’

‘Heb je het naar je zin?’

‘Ja hoor’

Tandarts kijkt steeds ongelukkiger. Zijn chitchat loopt wat moeizaam.

Ik kijk vanaf een afstandje en vindt haar eigenlijk heel aandoenlijk, met dat grote veulenlijf in die stoel te vechten met zichzelf. Want het is best moeilijk om nors te doen tegen een aardige tandarts alleen om aan je moeder te bewijzen dat hij stom is.

Ze poetst heel goed tandarts!

Ziet er allemaal keurig uit’ luidt de diagnose. ‘Ze poetst ook heel goed’ geef ik dochter een compliment. Die kijkt me met vonkelende ogen aan. Over poetsen had ik op zich geen zwijgverbod gehad maar toch is dit kennelijk een onvergeeflijke opmerking.

Ze draait zich om naar de tandarts en zegt: ‘En mijn moeder kan heel goed haar veters zelf strikken. Knap he!’